Hoe ‘integraal’ is het Integraal Kindcentrum nou echt?

Datum: 17 oktober 2013


Binnen een Integraal Kindcentrum werken primair onderwijs en kinderopvang samen aan een doorgaande ontwikkelingslijn voor kinderen van 0 tot 12 (soms 0-13). Meestal is daar ook het peuterspeelzaalwerk bij betrokken. Kenmerkend voor de totstandkoming van een IKC is dat het een lokaal gestuurd proces is: gemeente (in de persoon van een bevlogen wethouder), schoolbestuur en kinderopvangorganisatie vinden elkaar in het streven naar de vorming van één plek voor ‘opvang en onderwijs’.

 



Ogenschijnlijk kent de totstandkoming van een IKC een overzichtelijk verloop, maar er kunnen wel degelijk beren op de weg verschijnen. Denk hierbij aan de keuze voor een samenwerkingspartner en voor een samenwerkingsvorm. Als het IKC na dit vormingsproces een feit is, ontstaan nieuwe vraagstukken rondom financiering, aansturing en personeel. Deze vraagstukken zijn een direct gevolg van het ‘bottom-up’ karakter dat de vorming van een IKC tot nu toe steeds kenmerkt. Wie het advies van de PO-raad leest en ook het rapport van Andere Tijden in Onderwijs en Opvang, ziet dat deze vraagstukken in belangrijke mate het gevolg zijn van het hybride karakter van een IKC. Dit hybride karakter laat zich als volgt schetsen:

  1. Ontwikkelingsinstrument versus arbeidsmarktinstrument
    Onderwijs wordt door de politiek gezien als een ontwikkelingsinstrument voor kinderen, opvang als een arbeidsmarktinstrument voor (werkende) ouders (met name voor moeders). Het gevolg is dat beide sectoren onder verschillende ministeries ressorteren (OCW en SZW), waardoor er onder andere verschillende toezichtregimes bestaan (bijvoorbeeld Onderwijsinspectie versus GGD), maar ook andere financieringsstromen.
  2. Publiek goed versus marktgoed
    Onderwijs is een 'publiek goed' gefinancierd uit de publieke middelen en voor iedereen toegankelijk, opvang is een 'marktgoed' waarmee opvangaanbieders met elkaar concurreren ('2 maanden gratis luiers!') en waarvan de prijs en vraag in belangrijke mate bepaald worden door de arbeidsmarkt (zie hierboven bij 1).
  3. Cao primair onderwijs versus cao kinderopvang (versus cao welzijn)
    Binnen één IKC bestaan minstens twee en, in het geval van de betrokkenheid van het peuterspeelzaalwerk, soms zelfs drie verschillende modellen van arbeidsverhoudingen en -voorwaarden(vorming). Dit betekent dat medewerkers binnen één IKC die aan dezelfde ontwikkelingslijn werken van een kind, volgens verschillende cao´ s beoordeeld, beloond en bevorderd worden.

Om te komen tot de vorming van een IKC dat daadwerkelijk integraal is, moet de landelijke politiek samen met de werkgevers en werknemers uit de beide sectoren afrekenen met het hybride karakter van het huidige IKC. Het volgende is hiervoor nodig:

  1. Breng onderwijs en opvang onder bij één ministerie, dat van Ontwikkeling & Onderwijs. Daarmee maken we gelijk korte metten met het niet-dekkende begrip 'opvang' voor het werk van pedagogische professionals.
  2. Maak van 'ontwikkeling' (voorheen 'opvang') een publiek goed, net als onderwijs. Ieder kind heeft recht op ontwikkeling met hulp en onder toezicht van pedagogische professionals. Bonus: we zijn af van het fiscale gedrocht van kinderopvangtoelages; alles wordt door het ministerie van Ontwikkeling & Onderwijs vanuit de publieke middelen betaald.
  3. Eén ministerie dat de sector aanstuurt en financiert betekent ook één werkgever met één cao. Weg met die dubbele contracten voor de vakleerkracht gym die tussen 8.30 en 15.00 uur onder de cao PO valt en vanaf 15.00 tot 18.30 uur als BSO-activiteitenbegeleider onder de cao KO. Weg met de verschillende loopbaanontwikkelingsmogelijkheden, functiehuizen en loongebouwen voor medewerkers binnen een IKC die integraal samenwerken aan de doorgaande ontwikkeling van het jonge kind.

Om een IKC echt integraal te maken, is het tijd dat de spelers op sectoraal en nationaal niveau een volgende stap zetten. Waar wachten we nog op?

 

Door Martijn van Velzen